Mooie woorden over een beerput maken de stank niet welriekend



Gastbijdrage door Frank Colle


Mooie woorden over een beerput maken de stank niet welriekend, of hoe de slagzin ‘Vertrouw de experten’ zomaar eens zou kunnen leiden tot het verraad van een taalkundige.


Met deze titel zou ik mijn boekbespreking van Stefan Hertmans’ Verschuivingen (Bezige Bij, 2022) willen aanvangen. Mogelijk pas ik die later nog aan. Mogelijk ook niet. Deze onbeslistheid vloeit voort uit het lezen van de twintig korte essays die Hertmans in het boek verzamelde. Het zijn essays die pogen “vast te leggen wat ons in de waan van de dag ontglipt”. Het positieve eraan is alvast dat dat onbesliste uitnodigt om verdere vragen te stellen. Het negatieve zal dan voornamelijk te maken hebben met wat en de manier waarop Hertmans dit alles neerschrijft.


Hertmans bedient zich immers in nogal wat van die essays van dezelfde shame & blame tactiek die heden zo welig tiert op allerhande internetfora alsook op officiële nieuwskanalen, in de dag- en weekbladen, om nog maar te zwijgen van de radio- en televisiezenders. Het is een retoriek die hij vreemd genoeg elders in zijn werk dan weer met grootmoedige eruditie lijkt te hekelen. Ik had bijna ‘hartsgrondig’ geschreven met betrekking tot dat hekelen, maar daarheen wil ik niet gaan. Enige afstand bewaren is essentieel om het debat levend te houden. Maar over welk debat hebben we het?


Volgens Hertmans wordt onze tijd beheerst door drie grote thema’s: klimaatverandering, de crisis van de neoliberale wereldorde en migratie. Ze kunnen allemaal aan elkaar gelinkt worden maar om daartoe te komen gaat hij eerst door het woelige water van de waan. En dat leidt onherroepelijk tot een moeizame tocht waarin Hertmans zichzelf toch ettelijke keren verslikt. Op het randje af zelfs volledig kopje onder gaat. Ik zou hier een lijst kunnen geven met feiten die Hertmans in zijn werk ofwel verkeerdelijk interpreteert ofwel met al te veel gemak overneemt van de dienstdoende propaganda-expert ofwel regelrecht uit zijn nek bijeen kletst. Het zou mij echter te ver drijven om daar allemaal op in te gaan. Graag belicht ik hier de crisis van de neoliberale wereldorde.


Wat die neoliberale wereldorde is of waar ze vandaan komt, dat komen we niet echt te weten via Hertmans’ essays. Evenmin waar die vermeende crisis om gaat. Dat is voor zijn betogen misschien niet echt nodig maar evenwel een gemis. Te meer daar hij wel losjes kritiek levert op mensen en bewegingen die naar zijn stelling niet enkel lak hebben gekregen aan de liberale democratie maar die volgens hem ook nog eens met de verkeerde kritische analyse zijn komen aanzetten. Mocht hij die corrigerende kritiek nu maar eens uitgesproken hebben, dan waren we al een heel eind opgeschoten. Maar dat is niet gebeurd. En los van het feit dat gewoon spreken over de crisis van de neoliberale wereldorde niet alleen doet uitschijnen dat die crisis binnenkort ook wel met evenveel gemak kan worden opgelost, komt Hertmans hier en daar aanzetten met wel heel erg bedenkelijke opmerkingen aangaande diezelfde neoliberale wereldorde.

Dat er excessen zijn bij het binnenrijven van winsten door big-pharmabedrijven bijvoorbeeld, wordt niet ontkend, maar dat moeten we er voor nu maar even bijnemen, zo lijkt hij te schrijven op p. 86. En wat te denken van de opmerking (p. 92) dat de Franse president Macron enkel een heel ongelukkige uitspraak maakte toen hij de zogenaamde vaccinweigeraars met ‘stront ging beladen’? Terwijl dat evengoed kon doorgaan voor ‘s mans diepgewortelde overtuiging ten aanzien van eender wie die zijn autocratie in vraag stelt. Het deksel van de spreekwoordelijke beerput wordt nog verder opgelicht wanneer Hertmans gewag maakt van het “symbolisch geweld van het neoliberale kapitalisme” (p.99). De man is allicht nog nooit getuige geweest van een uithuiszetting, heeft geen notie van welke mensen bijvoorbeeld onze gevangenissen bevolken en welke niet of hoe de Gele Hesjesbeweging in Frankrijk is neergeslagen geworden, maar ik ging mij onthouden van expliciete voorbeelden. Dat is ook beter voor mijn gemoed.



Concreet verwijt Hertmans de kritiekasters van de coronamaatregelen geen gemeenschapszin te bezitten en geen historisch besef te hebben, laat staan een rechtgeaarde klassenstrijd te voeren. Maar buiten het te hebben over een vage democratische werking, vertikt hij het wel om uit te leggen hoe die klassenstrijd er voor hem dan wel zou kunnen uitzien of hoe dat historisch besef nu eens best gerealiseerd zou kunnen worden.

De kans bestaat dat hij dat doet om niet al te belerend over te komen. Te meer daar hij zich al behoorlijk laatdunkend liet ontglippen dat zekere delen van links, voornamelijk die “linkse herauten van de ‘blijf-van -mijn-lijf’ -generatie”, in hun protest tegen de coronamaatgelen zich nu wel heel dicht naast de donkerbruinen bleken te bevinden.


Hertmans lijkt daarbij bewust te willen negeren - hij spreekt zelfs over “het politiek ondenkbare” - dat zowel het socialisme als het fascisme vanuit historisch oogpunt inderdaad een gemeenschappelijke aversie bezitten tegenover de liberale democratie. Meer zelfs dat beiden een gemeenschappelijke ideologische grond delen. Dat is natuurlijk de geschiedenis zelf geweld aandoen. Net zoals het absurd is om ze nadien allebei over dezelfde kam te willen scheren.


Neen, Hertmans verwijst liever naar de verzuilde samenleving waarin hij is opgegroeid en waar alles nog netjes geregeld leek tussen het socialistische links, het liberale rechts en de christendemocratische middenveldorganisaties, als was het een Heilige Drie-eenheid. De realiteit is dat een echte linkse kritiek op die periode (verder nog bij Hertmans de sociaaldemocratie genoemd) wel eens zeer ongemakkelijk zou kunnen liggen.

Want als we dan even in die spiegel kijken of de schaduw van die tijdsgeest opzoeken, dan zouden we kunnen zien dat de verzuilde samenleving van de naoorlogse periode (1945 - ca. 1975) niet meer was dan het resultaat van een verdeel-en-heers strategie van de heersende klasse die vooral beducht was om geen ware socialistische omwenteling te laten plaatsvinden. Het Koude Oorlog effect mocht in het Westen dan wel voor verbeterde levensomstandigheden zorgen maar weerhield ook oorspronkelijke socialistische strijdpunten verwezenlijken. Behalve dan misschien op het niveau van de persoonlijke emancipatie. Alsof in marge van het harde bestaan de teugels wel wat mochten gevierd. Met de Oliecrisis van 1973 werd alvast een eerste slag toegebracht aan die vrolijke ‘universele’ Westerse Droom van vrijheid, blijheid en gelijkheid, al zou het duren tot de val van de Berlijnse Muur (1989) wanneer de politiek van de schone schijn door het kapitaal voorgoed kon worden verlaten. Kortom, de verbeterde levensstandaard, het ‘vredevolle’ samenleven en de emancipatorische realisaties zijn niet meteen het resultaat van een vloeiend functionerende democratie noch van de universele verspreiding van een liberaal gedachtegoed, maar van de bereidwilligheid van het kapitaal om wettelijke en financiële toegiften te doen. (Mazaheri, R., France’s Yellow Vests: Western Repression of the West’s Best Values, 2022, Badak Merah)


Ik wil kort ook nog even in herinnering brengen dat de realisatie van de liberale ideeën van de Franse Revolutie (1789) de facto van veel recentere datum zijn dan we doorgaans denken. In elk geval is er geen sprake van een ononderbroken continuüm sinds 1789, noch van een gestage opgang van dat ‘vrije en democratische’ continent. Het ging eerder in horten en stoten of als de processie van Echternach, het is maar hoe je het bekijkt. Het vrouwenstemrecht bijvoorbeeld werd pas in 1948 gerealiseerd. Enkelvoudig stemrecht dateert dan weer van 1919. Data die in het grotere geheel kunnen aangeven dat slechts na een grote crisis en blijkbaar niet zonder grote offers, enige toegiften kunnen bekomen worden ten voordele van een meer vrije en sociale samenleving. Ik verwijs hierbij graag naar het werk van Jacques R. Pauwels: De grote mythen van de moderne geschiedenis (2019, Epo) en De mythe van de ‘goede oorlog’ (2000, Epo).


Om een lang verhaal kort te maken: Hertmans laat na te zeggen dat het fascisme niets anders is dan de keerzijde en het opvangnet van het kapitalisme. Een dubbeltje op zijn kant dat om en om gedraaid wordt als een rad voor de ogen van de mensen.

Zijn kinderlijke voorstelling van de sociaaldemocratie is bijgevolg net zo kinderlijk als zijn interpretatie van de vrijheid waaruit die zou voortspruiten. Via de platgetreden paden van de propagandaretoriek wil hij ons immers doen geloven dat er zoiets bestaat als het recht om niet ziek te worden en dat het bijgevolg de plicht is van de burgers om in naam van het algemeen belang (letterlijk) hun mouwen op te stropen en (zowel letterlijk als figuurlijk) de aangeboden oplossing te ontvangen. Wat schreef Albert Camus daar weeral over? Hertmans’ idee van ‘goede burgers’ lijken mij wel dienstplichtigen en ondertussen komen de eerste slachtoffers na het zoveelste rondje in de vaccinatiecampagne ook met bosjes van het slagveld terug. Verminkt voor het leven of erger nog. Het is nu enkel nog wachten op de op te richten herdenkingsmonumenten die zullen getuigen van hun heroïek en saamhorigheid.


Het zijn vijgen na Pasen, ik weet het. Maar zelfs de meest rabiate en eigengereide vrijheidsdenker die ik weet (Max Stirner, De enige en zijn eigendom), erkent dat de totale vrijheid een lege ruimte is en dat het ‘ik’ van vlees en bloed steeds een relatie te leggen heeft met de wereld rondom zich. Behoudens historische vergissingen à la Bakoenin en Netsjajef ken ik overigens geen enkele anarchist die niet tegelijkertijd een grote morele verantwoordelijkheid opeist en gebrand is op het creëren en bestendigen van een vredevolle sociale cohesie.

En wat met deze gedacht: wie grondrechten zelfs maar tijdelijk wil opschorten, om wat voor reden dan ook, bewijst daarmee impliciet de voorwaardelijkheid van dat recht en bijgevolg ook de onzin ervan. Inderdaad, de democratie zoals we die kennen is een carnaval der burgers.


Hertmans verwijst in zijn boek overigens regelmatig naar de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben en is dus zeker bekend met diens idee over de biopolitiek (naar Karl Löwith). Dat het de voorwaarde is van de natiestaat (hoe anders kan een administratie uitmaken of je aanspraak kan maken op haar rechten?), dat het ‘naakte leven’ tevens voorwerp, neen: grondkenmerk! is van totalitaire staten en dat: “Alleen doordat het biologische leven met zijn behoeften overal het politiek beslissende feit is geworden, het mogelijk is de snelheid te begrijpen waarmee de parlementaire democratieën van onze tijd konden omslaan in totalitaire staten en de totalitaire staten bijna naadloos konden overgaan in parlementaire democratieën.” (Agamben, G., Homo Sacer, Boom, 2002, p. 132). Agamben legt het enkele zinnen verder ook zo uit: “Als het naakte leven eenmaal het fundamentele referent is geworden, verliezen de oude politieke onderscheidingen (zoals die tussen rechts en links, liberalisme en totalitarisme, privé en openbaar) hun klaarheid en begrijpelijkheid en komen ze in een gebied waar ze niet meer te onderscheiden zijn.”

Maar mocht Hertmans’ betoog een oprechte vingerwijzing inhouden naar juist dat gevaar, waarom is hij dan voorstander van een nog verder doorgedreven vorm van diezelfde biopolitiek?


En al klaagt hij in Verschuivingen wel degelijk geregeld het gebrek aan van een ideologische debat, telkens gaat hij dat ook weer uit de weg. Hij heeft en geeft kritiek op het neoliberalisme maar doet dat zonder echt concrete uitspraken te doen. Integendeel werken zijn opmerkingen eerder als een mantel der liefde.


Men zou kunnen stellen dat Hertmans denkt dat hij zich als poëet daar ook niet mee moet bezighouden. Dat hij zich buiten de tijd en de tijdsgeest om moet begeven, dat hij hem mag afwijzen of dat in elk geval kan beogen. Maar waarom gebeurt deze afwijzing dan op een zo slordige manier en lijkt hij niet meer dan een karikaturale schets te kunnen geven? Zijn uithalen naar de extremen in onze samenleving enkel om de goegemeente te ontzien of zelfs om die laatste in een beter daglicht te stellen, komt alvast belachelijk en goedkoop over.


Het Trumpetisme zoals ik het zou noemen en waarbij teveel waarde wordt gehecht aan wat de man werkelijk inhield of voorstelde binnen diens kortdurende presidentschap, laat dan ook niet lang op zich wachten. Waarom, zo stel ik mij dan de vraag, is die man eigenlijk zo een doem- of voorbeeld en waarom zou dat zoveel verschillend zijn met andere vertegenwoordigers van de macht? Ja, waarom zou een Amerikaanse president überhaupt zoveel invloed hebben op Europese mensen, laat staan op mensen wereldwijd? En bovenal, hoe zou dat werkelijk komen?


Is het een neveneffect van de globalisering dat ik mij druk zou moeten maken over een miljonair die president wordt van een land duizenden kilometers van mij verwijderd en die net als al zijn voorgangers misschien wel enkel president kon worden juist omdat hij miljonair was? Dat kan mogelijk goed zijn om weten, maar persoonlijk kan ik daar natuurlijk niet veel aan doen. Net zoals het individu geen zeg of invloed heeft op de aanvang van een nieuw wereldconflict. Hetzij in Oekraïne, Yemen of Syrië.


Think global, act local’, dat was de leuze van de andersglobalistische beweging eind jaren 90. Tegenover de toenmalig groeiende economische globalisering en de stille overname van nationale parlementen door multinationale bedrijven, stond een activistische praktijk van regionaal gericht en lokaal organiseren. Lokale markten, directe inspraak, bottom-up beleidsvoering en betrokkenheid, korte handelsketen, etc., dat waren de antwoorden op een steeds verder doordenderend kapitalisme. Het is veelzeggend dat Hertmans dat vandaag lijkt te willen plaatsen in het romantische verleden. Ondertussen zijn de nationale parlementen vrijwel volledig opgegaan in internationale organisaties, is het aandeel van democratische vertegenwoordiging en inspraakmogelijkheid van burgers herleidt tot quasi nul en bepalen een handvol financiële constructies zowat de gehele internationale politieke en economisch agenda.


Met planetair denken nu, alsof dat globale denken nog niet voldoende was, wil Hertmans een nieuwe politiek creëren. Volgens nieuwe parameters. Of juister gezegd: via nieuwe parameters een nieuwe politiek creëren in overeenstemming met de nieuwe planetaire krachten. Het is een mondvol mooie woorden, een zoveelste ballon vol grootsheidswaan en illusionaire beloften. Terwijl we gewoon weg moeten van de vegetatieve gelukzaligheid die ons door de markt en haar apostelen wordt aangeboden. Het probleem met een ‘planetaire aanpak’ zoals Hertmans voorstelt is uiteindelijk die van de autoriteit. Terwijl zijn ideeën in het beste geval een gevolg zouden kunnen zijn van specifieke handelingen, posteert hij ze als een begin, als een oorsprong, een ideologie waardig en eentje die we allen gezagsgetrouw zouden moeten volgen. Het is datzelfde kantje waarop de medaille van het kapitaal stoelt en dat na een slordige tweehonderd jaar van sociale strijd maar niet wil inzien waar het aan schort. Opnieuw kan een verwijzing naar Albert Camus (De mens in opstand) gemaakt worden.


In ‘Retour à la vie’ (2022), stelt de Belgische auteur Raoul Vaneigem dat het ons slechts ontbeert aan een opstand van het hart. “De terugkeer naar het leven heeft het talent om het bewustzijn opnieuw aan te wakkeren. Het besluit om voorrang te geven aan menszijn, om bazen, zelfverklaarde vertegenwoordigers, politieke en syndicale middelen te weren en om te werken aan het regeren van het volk door volksvergaderingen, is ruimschoots voldoende om de grondslagen te leggen van een wederzijdse hulp,” zo stelt Vaneigem, en verder: “Hoe dan ook zullen we ons nooit losmaken uit de greep van de oude wereld zolang we ons niet verzekeren van de grondvesten van menselijke microsamenlevingen, gebaseerd op collectieve solidariteit en individuele autonomie.”

Het is immers in de nabijheid dat het menselijke plaatsvindt en het is ook in de nabijheid, lokaal en regionaal, dat de problemen kunnen en moeten worden opgelost. Want het is lokaal dat de roofbouw en de verontreiniging van het milieu, de afbraak van het onderwijs en de gezondheidszorg, van het openbaar vervoer en dies meer, hun leed veroorzaken. De milieuproblemen worden wereldwijd en statistisch behandeld om de enige reden dat we nalaten ze aan de basis aan te pakken. Pleiten voor een ‘planetaire’ aanpak van de milieuproblemen zoals Hertmans oppert, is niet meer dan geroddel van hogerhand. Zijn alarmisme speelt overigens mooi in de kaart van de filantropische kapitalisten die nu zonder schaamte zeggen dat de belofte van een betere wereld enkel kan worden gerealiseerd binnen de krochten van een technocratische hel.


Verschuivingen zal voor sommigen dan ook een boek zijn waarin ze hapklaar hun ongenoegen en angst voor waar zien geprojecteerd. “Zie, zelfs Hertmans zegt het! Die anti-vaxers zijn egoïsten.” Voor mij wordt het een boek om snel te vergeten. “A tale told by an idiot, full sound and fury, signifying nothing” zoals Shakespeare Macbeth laat zeggen, is zeker te sterk geformuleerd, maar in alles is Verschuivingen niet samenhangend genoeg. Een teken des tijds, misschien. Hertmans blaast alleszins geregeld warm en koud zo hij al niet met twee maten en twee gewichten dit tijdsgewricht in de verf poogt te zetten. De beschimping van elk ongerijmd of ongecontroleerd protest, waarmee hij alvast een graag geziene gast wordt in allerhande praatprogramma’s, staat bijvoorbeeld in schril contrast met de fluwelen handschoen waarmee hij identitaire lgtb+woke adepten waarschuwt de slinger niet al te ver door te drijven of nog de links-travaillistische organisaties voorzichtig op hun onmacht wijst.


If she’s haunting his dreams, then why don’t he say it now,” zong Dani Klein ooit in Heading For A Fall. Het lijkt er sterk op dat Hertmans naar analogie met het personage in dat nummer bovenal niet gegrepen wil worden. Verschuivingen is uiteindelijk behoorlijk vaag. Dat kan zijn om zijn lezers niet zomaar de pap in de mond te geven. Ze zelf een kans op ‘verlichting’ te geven. Al vrees ik dat velen niet voorbij de retoriek zullen gaan. Te meer omdat los van de vele verwijzingen, opnieuw maar weinig echt wordt geduid. En het is niet dat er geen mooie passages in voorkomen of dat Hertmans geen discours weet op te bouwen dat het boek een maat voor niets zal blijken, maar ook omdat het achterhaald is geworden toen Poetin eind februari de Nieuwe Wereldorde deed struikelen en met haar menig Groene Deal naar de prullenmand verwees. Allicht is Hertmans zich daarvan bewust. De teneur van het laatste essay in Verschuivingen doet dat ook vermoeden. Maar we moeten niet panikeren. Om Vaneigem nogmaals te citeren: “Het is nu aan ons om onmiddellijk te genieten van het leven en de oorlog te verneuken waarin de geschiedenis in paniek raakt in haar poging om de toekomst te veroveren.


Maar de betekenis der woorden is niet zo belangrijk, als wel hun gelijkeniswaarde. En het is niet om de beelden zelf, maar om de symbolische taak die ze vervullen.” Ik blader wat in Carnaval der burgers van Menno ter Braak, waarnaar Hertmans ook verwijst bij aanvang van zijn boek. En kijk, zijn poging om vast te leggen wat ons in de waan van de dag ontglipt, blijft wat het is, bedenk ik dan: een poging. Daarin is Hertmans alvast geslaagd. Waar we zijn is waar we zijn. De rest zijn hersenspinsels en walm.


Uiterst ver en uiterst dichtbij, onophoudelijk onze vormen verwerpend, maar nooit van de beperktheid der vormen verlost, moeten de burgers omzwerven met de gelijkenis van de verloren dichter in zich. De dichter zelf is het paradijs ontzegd. Hij blijft eeuwig burger die zich vergeefs van de burgerlijke grammatica tracht te ontslaan.” Ter Braak opnieuw, en stilletjes vermoed ik dat Hertmans als stomme dat paradijs van hem wel zal betreden wanneer de ware toedracht van zijn woorden uit Verschuivingen hem uiteindelijk zullen bereiken.